Bonus

Steven op zijn hotelbed, staren naar het plafond. Zo heeft hij Anneke ontmoet, niet in een hotelbar maar in een bar. Waar ze naast hem kwam zitten, uitdagende blik, drie shots tequila bestellen, kraaien: “Ik heb het net uitgemaakt, vanavond ga ik los!” en hij, hij was begaan: ging het goed met haar, waarom ging ze ook met zulke foute types om; was er iemand die hij voor haar bellen kon; wilde ze dat hij haar thuisbracht—tot ze hem, drie glaasjes leeggedronken, met een tongzoen de mond snoert. Waarmee hij het moest doen: want voor haar rebound fuck zocht ze wel iemand met ervaring, dankjewel. Machteloos zag hij haar de nacht in lopen, giechelend aan iemand anders’ hand. Toen ze elkaar acht jaar later tegenkwamen was zij vijf vriendjes verder, hij nog maagd. Zij was toe aan vastigheid, hij aan een vrouw. Dit is zijn vrouw, Anneke. Ze worden samen oud.

– Echt waar Steven, dankzij jou heb ik mijn baan nog. Dankzij jou heb jij je eigen baan nog. Dankzij jou bestaat LetsMake.IT nog.
Steven kijkt hem cynisch aan.
– Drie weken geleden stond ik op het punt om mijn huis te verkopen. Ik had “het gesprek” al gehad met Parelman. Het was heel simpel: binnen twee weken een opdracht binnenhalen, en anders hoefde ik niet meer terug te komen.
– Dat wist ik niet.
– Je wist toch wel dat we een man of tien op de bank hadden zitten? Al een paar maanden? Hoe lang denk je dat het had geduurd voordat het geld op was?
– En net in die twee weken belde ik jou? Toevallig.
– De dag erna. De dag na het gesprek belde jij. Ik had net de makelaar aan de lijn gehad om een taxatie te regelen.
– Je had toch een andere baan kunnen zoeken?
– Ik ben geen programmeur, zoals jij. Voor jou liggen de banen voor het oprapen.
– Maar dan nog, om dan meteen je huis te verkopen. Je had vast nog wel een paar maanden salaris mee kunnen krijgen.
– Salaris? Denk je dat ik het daarvoor doe? Het gaat om de bonus, Steven.
– Bonus?
– Een percentage van de verwachte omzet.
– O. Aha.
– En aangezien de verwachte omzet in het geval van Sensor 2.0 een paar miljoen bedraagt…
– Aha.
Wijnand wilde het er maar al te graag inwrijven.
– Vijftigduizend euro, plusminus.
– Goh. Dat is eh…
– Niet verkeerd toch?
– Mm.
– Het is niet voor niks dat je mee mocht naar Boston voor de conferentie. Kun je ook een keer business class vliegen, chique hotel, overdag een beetje de stad in, ‘s avonds eh… ‘s avonds ook de stad in.
Vette grijns.
– Er waren wel wat sessies morgen die me interessant leken.
– Tuurlijk, tuurlijk, moet je zeker heen gaan. Maar je weet, als het te technisch wordt haak ik al snel af. Dan kan ik mijn tijd beter besteden.
– Heeft Parelman jou dan niet gevraagd om verslag te doen? Hij wilde dat ik een presentatie zou geven als we terug zijn.
Wijnand wuift het weg.
– Dat is anders voor mij. Ik ben hier vooral om interessante contacten op te doen.
Bij het woord “contacten” kijkt hij om zich heen. Steven volgt zijn blik naar een groepje vrouwen verderop. Blond, opgemaakt, hoge hakken: ongetwijfeld recruiters. Een van hen kijkt hun richting uit. Ze zeggen dat je aan kunt voelen of iemand jou aankijkt, maar Steven kan niet zeggen of ze hem of Wijnand bedoelt. Hij vindt haar mooi, vooral misschien omdat ze brutaal door blijft kijken. Ze lacht en Steven dorst niet terug te lachen, bang dat het voor Wijnand is of dat ze om een grap van haar collega’s lacht. Ze schikt haar haar achter haar oor en neigt haar hoofd iets omlaag maar blijft kijken en lachen.
– Maar wat ik me nog altijd afvraag…
Steven ziet dat Wijnand allang zijn blik van haar had afgewend.
– …hoe wist jij van die klus? Hoe ben je daar binnengekomen?
– Ik kende iemand die daar ingehuurd was. Die had gehoord dat ze binnen een maand weg moesten, onenigheid op directieniveau of zo.
– Ja, die verhalen heb ik ook wel gehoord. Je moet daar op eieren lopen. Is wel besteed aan Parelman.
Wijnand pakt zijn telefoon, nieuwste type, die hij voor zich op de bar had neergelegd, en stopt hem in zijn binnenzak.
– Ik loop nog even langs mijn kamer. Ga je straks mee? We gaan nog even de stad in, wat drinken met een paar jongens. En meiden, hopelijk.
– Eh, ja, ik kijk wel.

– Ben jij hier ook voor de conferentie?
Steven schrikt op. De vrouw met wie hij eerder een blik had gewisseld, is op de barkruk aan de andere kant van hem komen zitten.
– Uh-huh.
Ze is dichtbij. Haar parfum omarmt hem.
– Wat doe je, sales? Recruiting?
Grote bruine ogen waar hij in blijft staren, ook al wordt hij door verlegenheid overvallen.
– Programmeur.
Ze neemt een slok. Haar lippen tuiten zich rond de rand van het glas. Met de tip van haar pink wrijft ze langs haar ringvinger.
– Die zie je niet vaak op deze conferentie. Programmeurs.
…schikt haar haar achter haar oor, lange oorbel heeft ze in, hij volgt haar hand langs haar jurk naar beneden, tot ze bij haar dijen komt…
– Ik mocht mee, omdat ik een opdracht binnen heb gehaald.
…waar ze doelloos wat aan haar jurkje trekt, hij wordt er echt niet langer van…
– Toe maar! Geen sales maar wel een opdracht scoren.
– Nou ja, ik heb alleen een tip gegeven, Wijnand heeft de rest gedaan.
– Wijnand?
– Die man die net naast me zat. Sales.
– Maar toch, je baas zal wel blij met je zijn.
Lacht ze hem nou uit? Ze slaat haar rechterbeen over haar linker heen, strijkt in het voorbijgaan met de punt van haar schoen langs zijn scheen.
– Daarom mag ik dus mee.
Onwillekeurig denkt hij aan vijftigduizend euro. Hoe duur zal zijn vliegticket geweest zijn?
– Goed voor jou. Altijd lachen, deze conferentie. Ik doe er de leukste contacten op.
Bij het woord “contacten” aait ze nog een keer met haar schoen langs zijn been. Een zwarte pump, glad leer, ze draagt een panty die hij dit keer ook voelt, en haar enkel eronder. Steven doet zijn best om zelfverzekerd te lijken. Netjes voorstellen, heeft hij op een cursus netwerken geleerd.
– Ik ben Steven.
Ze kijkt hem aan alsof hij een klein kind is. Maar ze doet mee.
– Katrijn.
Nu moet hij glimlachen.
– Wat?
– Katrijn. Leuke naam. En je bent recruiter?
– Goed geraden.
– Nou, geraden… Als je een mooie vrouw in de IT tegenkomt is ze bijna altijd ingehuurd om puisterige programmeurs te ronselen.
– Als je het zo zegt klinkt het wel—
– Dubieus?
– Ik wou zeggen: hoerig. Zijn er geen mooie vrouwelijke programmeurs?
– O ja, natuurlijk…
Hij denkt aan Nicole.
– …maar er zijn sowieso weinig vrouwelijke programmeurs. Bij LetsMake.IT werkt er ééntje, tegen zestig mannen.
– Dan heeft ze het goed bekeken.
– Ze is getrouwd.
– Nou en? Ik ook. Jij?
– Tien jaar.
– Kinderen?
– Twee.
– Ik niet. Later misschien.
– Je hebt nog wel even de tijd, toch?
– Dank je.
– Tegenwoordig kun je er op je veertigste nog rustig aan beginnen, dus je hebt zeker nog een jaar of drie—Au!
Ze schopt tegen zijn schenen, maar laat haar been vervolgens tegen het zijne rusten en lacht.
– Cheeky! Ik sta droog, trouwens.
– O ja, sorry. Ben ik niet meer gewend, met een vrouw in een hotelbar zitten.
Nog maar een drankje dan. Zij drinkt Martini.
– En, bevalt het?
Warm, zo’n vrouwenbeen. Steven komt in de verleiding om het te strelen.
– Bevalt wat?
Ze beweegt haar been langzaam iets naar boven. Als zijn rechterhand niet op de bar zou liggen, om zijn nieuwe biertje heen, maar op zijn dij, dan zou hij haar nu aan kunnen raken.
– Met een vrouw. In een hotelbar.
– O. Ja. Nou.
– Mensen zouden er iets van kunnen denken.
– Eh…
– Breng ik je in verlegenheid?
– Nee, welnee.
– En als ik je vraag om mee naar mijn kamer te gaan? Word je daar verlegen van?
– Eh… nu?
– Ja, nu.
– Ik dacht dat je met je collega’s uit ging.
Droge mond. Slokje drinken.
– Dat kan altijd nog.
Steven neemt een slok. Hij kijkt voor zich uit. Na een paar ogenblikken haalt hij zijn portefeuille tevoorschijn en pulkt daar een foto uit. Hij blijft afwezig naar de foto staren.
– Dit is mijn vrouw, Anneke. Mijn vrouw, Anneke.
Katrijn komt van haar kruk af en kust hem op de wang, voordat ze terug naar haar collega’s loopt.

Een paar minuten later komt Wijnand naar beneden, in een pak dat er duur uitziet, vijftigduizend euro, hij loopt Steven straal voorbij, naar het groepje sales-collega’s dat inmiddels is vermengd met het groepje van Katrijn en haar collega’s, allemaal hard lachen om elkaars grapjes, steelse blikken heen en weer, de vrouwen zijn per stilzwijgende afspraak al onder de mannen verdeeld—en Katrijn, Katrijn valt voor Wijnand, Wijnand met zijn grijns van vijftigduizend euro. Ze haakt haar arm in zijn arm en kijkt naar hem op, lachend, bewonderend, terwijl ze het hotel uit de stad in lopen.

Oude Mensen Die Voorbijgaan

“Het water is best koud hè, Pa?”
“Nou Ma! Kouder dan gister in ieder geval.”
“En dat trapje is levensgevaarlijk, zie je hoe los het zit?”
“Je kunt ook die grote trap nemen aan de andere kant.”
“Die heeft geen leuning. Daar ben ik bang dat ik uitglijd.”
“Ik ga vandaag minstens tien baantjes zwemmen, Ma.”
“Ik denk dat ik er zo weer uitga, Pa, mij teveel kinderen vandaag.”

Elke dag opnieuw dezelfde conversatie als Stram & Grijs zich in het zwembad laten zakken van de camping in Zuid Frankrijk waar wij ook een week kamperen. Sommige mensen lijken zo aan sleur gehecht dat hij mee mag op vakantie.

Een dag of drie geleden kwamen ze aan, twee hoogbejaarde kampeerders met een even oude caravan, die brandschoon gepoetst leek, ondanks de lange reis; kruipend langzaam over de camping gereden tot de vaste plek gevonden was (“al jaren nummer 53,” hoorde ik ze later zeggen); aanstonds stapten ze uit en gingen volgens jarenlange routine aan de slag: hij draait de caravan in, zij geeft instructies; hij zet de voortent op, zij legt het grondzeil neer; hij sluit stroom en water aan, zij gaat koffie zetten; hij zet tafel en stoeltjes neer, zij komt met vaatdoek naar buiten gesneld om ze grondig af te nemen.
“Alles wordt toch weer helemaal vies onderweg hè?”
“Nou Ma, ik zat al te kijken, het is alweer helemaal smerig geworden. Is de koffie al klaar?”
“Bijna Pa, wil je een koekje erbij?”

De ochtend daarna stond Pa te praten met zijn campingburen: een jongen en meisje van net in de twintig, nog jong en lenig genoeg voor hun kleine koepeltentje; hetzelfde type tent waar wij tien jaar terug voor het eerst mee kampeerden.
“Ach, jullie hebt hier nog zoveel te ontdekken. Wij komen hier al meer dan veertig jaar, Ma en ik, ook wel op andere plekken geweest natuurlijk, maar de laatste jaren zijn we al blij als we deze camping zonder kleerscheuren halen, je weet nooit hoe lang het nog kan hè, we worden een dagje ouder, ieder jaar is er één.”
“Ja, tja… Maar wij moeten afwassen, dus…”
“Tuurlijk, tuurlijk, dat moet ook gebeuren, voor alles is een tijd zegt Ma altijd. Maar onthoudt goed: ” (klopt op zijn slaap), “als je echt iets van de streek wilt zien, ga dan de bergen in,” (wijst naar het gebergte dat achter de camping oprijst), “ga wandelen, fietsen, wat jullie doen tegenwoordig, er zijn prehistorische grotten daar, weet je? Jullie hebt nog jonge benen, kunt dat makkelijk doen, voor ons is dat niet meer weggelegd helaas, maar vroeger, toen kende ik daar de weg wel hoor, dan had je aan mij een goede gids gehad, nog geen twintig jaar geleden, wil je dat geloven?”

Eenmaal in het zwembadwater glijdt de stijfheid van hen af en zwemmen ze puur op techniek de meeste kinders er wel uit. Als ik mijn ogen toeknijp zie ik ze in de bloei van hun leven, zo op mijn eigen leeftijd, nog zoveel vóór zich, zoveel kracht nog in hun lichaam, nog geen zorgen over geld of ziekte, nog niet zovelen om hen heen naar hun graf hebben hoeven dragen en vrezen dat je de volgende bent — en als ik mijn ogen weer open zijn ze plotsklaps dertig jaar ouder; dertig jaar in een oogwenk voorbijgeflitst, ineens ben je oud en vraag je je af of dit de laatste keer vakantie wordt, de laatste keer kunnen doen wat je dertig jaar geleden ook al zo deed, de laatste keer de caravan indraaien, de laatste keer koffie zetten als je aankomt. Geen wonder dat sleur je laatste houvast is.

Na het zwemmen zijgen ze druipend nat neer op stoelen aan de andere kant van een conifeer waarachter ik de schaduw opgezocht heb.
“Dat was lekker hè Ma?”
“Ja hoor Pa. Ik ga nu even zonnen.”
“Ik heb zeker tien baantjes gezwommen.”
“Denk je wel om je hart Pa?”
“Ja Ma.”
“Wat heb je hier nou toch gedaan? Is dat tomatensaus?”
“Wat Ma?”
“Hier, die vlek, op je handdoek.”
“Ik heb geen vlek gemaakt, Ma.”
“Hoe komt die vlek er dan? Het gaat er ook niet uit.”
“Weet ik niet Ma.”
“Die vlek komt er toch niet vanzelf? Ga eens staan, dan probeer ik hem eruit te spoelen.”
Pa blijft zitten.
“Wat zit je nou stom voor je uit te staren Pa?”
Ik volg zijn blik. Pa staart naar de bergen in de verte. Hij herinnert zich hoe hij met Ma, jaren en jaren geleden, de bergen introk en beklom, grotten ontdekte, de toppen bereikte en uitkeek over de hele wereld. Ma hoort hij niet meer klagen.
Ik duik het koude water in, om zonder schaamte mijn tranen te laten.